De ontdekker van de grasparkieten.
De Engelse bioloog John Gould was de eerste die het gedrag van grasparkieten beschreef. Hij deed dat in een groot natuurboek over de Australische vogelwereld, waarin zijn vrouw de prachtige illustraties maakte. Hij was ook de eerste die levende grasparkieten mee naar Engeland bracht (ongeveer 1840), maar pas in 1850 lukte het om deze vogels te kweken.
Bijna iedereen was dol op deze mini-papegaaien, maar alleen de rijken konden zich toen een grasparkiet veroorloven. Er werden grote aantallen van Australië naar Europa getransporteerd. Maar omdat er zoveel grasparkieten naar Europa gebracht werden, werd het in 1894 verboden om grasparkieten in het wild te vangen.
Grasparkieten werden vanaf toen op grotere schaal gekweekt, wat de grasparkiet ook bereikbaar maakte voor het grotere publiek zodat meer mensen konden genieten van het vrolijke gekwetter van een grasparkiet.
Wilde grasparkieten.
Grasparkieten leven in het wild in Australië, waar ze in halfwoestijnen en langs rivieren leven. Ze leven daar in grote groepen en doen bijna alles samen. Zo eten en drinken ze op vaste tijden, rusten en slapen allemaal dicht bij elkaar in een boom. Het is nodig om samen een groep te vormen. In Australië zijn verschillende natuurlijke vijanden voor de grasparkiet. Zoals bijvoorbeeld roofvogels die de jongen een lekkernij vinden, slangen die de eieren een feestmaaltje vinden.
Volwassen grasparkieten vallen dankzij hun natuurlijke kleuren niet zo erg op als ze in een boom zitten. De meest voorkomende kleur voor wilde grasparkieten is groen (de kleur van de bladeren) en geel (de reflecterende zonnestralen vanaf de bladeren). Blauwe grasparkieten komen soms in het wild soms voor, maar ze leven meestal niet zo lang, omdat het blauw te veel opvalt tussen de bladeren van de bomen.
In Australië is het soms lange tijd droog. Zo'n droge periode duurt soms jaren. In zo'n periode komen veel groepen bij elkaar, zodat er soms zwermen van enkele duizenden grasparkieten ontstaan. De grasparkieten broeden dan niet en het aantal grasparkieten daalt dan.
Als het weer begint te regenen, gaan ook de parkieten weer broeden. Ze zoeken een geschikte holte voor het nest, meestal in een boom. De vrouwtjes maken het invlieggat op de juiste maat. Grasparkieten gebruiken verder geen nestmateriaal zoals strootjes en dergelijke materialen voor het nest. Veel grasparkieten broeden direct na het eerste nest nog een keer. Het mannetje verzorgd de jonge die het nest verlaten hebben nog een tijdje, terwijl het vrouwtje weer zit te broeden op het volgende nest.